Literaire criteria met een geurtje
Voor mijn doctoraat bestudeerde ik sprookjesbewerkingen, een genre dat in Duitsland en Amerika al in de jaren ‘70 erg populair was. Van veel van de teksten die ik bestudeerd heb stond de literaire waarde al snel ter discussie: de boodschap zou er primeren op de inhoud. Sprookjesbewerkingen werden in de jaren ’70 en ’80 (en nu soms nog) ingezet om een feministische of marxistische ideologie over te dragen, en om kinderen en ouders te waarschuwen voor de gevaren van “seksistische” en “burgerlijke” sprookjes. In mijn doctoraat ga ik vrij uitgebreid in op de literaire criteria die recensenten hanteren om deze verhalen te beoordelen. Op mijn verdediging vorige week kwam dan ook de vraag wat ik zelf als goede literatuur beschouw. Het was een vraag die ik wel verwacht had en waar ik in het doctoraat zelf bewust geen antwoord op gegeven heb. Want het begrip “goede literatuur” is in de loop van de voorbije dertig jaar op zoveel verschillende manieren ingevuld: als literatuur met de juiste boodschap, liefst in een duidelijke vorm die voor iedereen verstaanbaar is. Als taal die de aandacht op zichzelf vestigt in plaats van op de inhoud, als taal die verrast en vervreemdt. Als verhalen die tegelijkertijd verschillende betekenissen dragen, en die zich niet laten vastpinnen op één boodschap of aspect. Dat laatste, daar zie ik zelf misschien nog het meest in, al probeer ik een open geest te hebben en “goede literatuur” zo breed mogelijk te zien. Vanmorgen las ik een literatuuropvatting op de site van Stichting Lezen die ik echter nog nooit was tegengekomen en waar ik me toch wel héél moeilijk in kon vinden: goede boeken zijn boeken die ruiken! Ik weet niet of ik geshockeerd of gecharmeerd moet zijn door dit eerlijke antwoord van een jonge lezer. Als de feministen en marxisten uit de jaren ’70 dàt geweten hadden…



