Books and looks #2
Er ligt een boek op mijn werktafel, waar ik graag over wil vertellen. Omdat het zo overdonderend is. Maar het is vrijdag en tijd voor Books en Looks. Wie wordt het ditmaal? Laat ik het mezelf niet moeilijk maken, op deze dag dat ik op een geleende laptop zit te werken omdat de mijne definitief gecrasht is, deze dag ook waarop de verwarming het heeft begeven terwijl de sneeuw naar beneden blijft dwarrelen. De auteur van het boek hier naast me is er wel eentje waar ik me in deze koude aan kan warmen.
Ik weet niet meer wanneer ik hem voor het eerst ontmoette, ik denk dat het een feestje ergens aan een Amsterdamse gracht was. Ik weet wel dat ik onder de indruk was. Dat ben ik nog steeds.
Hij is charmant, hartelijk, innemend.
Hij is intelligent, geestig, gevat.
En bijzonder aangenaam.
Hij heeft altijd lichtjes in zijn ogen.
Hij heeft wel meer – maar oordeel daar vooral zélf over.
Hij schrijft een verrukkelijk Nederlands, altijd natuurlijk, zuiver, verrassend.
Hij barst van de onvermoede talenten.
Zo’n alleskunnertje, weet u?
Toen ik hem afgelopen herfst in de Oba in Amsterdam Aidan Chambers hoorde en zag interviewen, viel mijn mond open van verbazing en dacht ik: je kunt zo voor de camera een interviewprogramma gaan doen. Wat een naturel.
De helft van de tijd schrijft hij zijn boeken in Parijse cafés, bij een kop koffie.
De boeken die hij daar, mét de hand, schrijft, zijn keer op keer voltreffers. Getuige de Zoenen, Griffels, Vlag en Wimpels.
Hij houdt, ook, van Franse muziek.
Kortom, een droom.
Mag ik u voorstellen: Edward van de Vendel:


Aangenaam!
En ook nog: ik hou van deze rubriek! :-)
Hmm, ja, Edward! Hoera! Ik vond zijn vervolg op “De Dagen van de Bluegrassliefde”, “Ons derde lichaam” helemaal niet goed, (songfestival, en alles wat daarbij komt kijken, het interesseert me niets, en ik vond de uitwerking van de personages ook maar niets. Niet dat ze niet goed waren uitgewerkt, maar ze waren mij een beetje oppervlakkig, net als het songfestival zelf), maar dat betekent helemaal niet dat al het andere moois dat Edward maakte mij niet bekoort! “Eén miljoen Vlinders” is prachtig, “Hagedissie”, daar ga je van houden, en Kleinvader: zo’n opa wens je iedereen toe.
Hoeft het nog gezegd te worden: ik ben een groot fan van Edward van de Vendel… Ik heb eens op een rijtje gezet wat ik van hem gelezen heb. Ik probeer een top-10 te maken. Ik was erg onder de indruk van ‘Ons derde lichaam’, dat ik natuurlijk meteen wou lezen omdat ik ‘De dagen van de bluegrass liefde’ gelezen had (op vakantie in Spanje). Aan de citaten onderaan, kun je zeker merken dat ‘Ons derde lichaam’ heel veel indruk op me gemaakt heeft, en dat ondanks het feit dat het songfestival me niets zegt; ik heb geen tv en kijk er dus nooit naar. De gedichten van het personage Tycho Zeling in ‘Chatbox’ zijn dan natuurlijk ook leuk om te lezen.
En vooral ook ‘O girafje, klein onafje / hoor je wat ik zing?’ in ‘Lied voor een girafje’, zalig boekje, met prachtige tekeningen van Sebastiaan Van Doninck. Waar ik ook niet omheen kan: de superguppies… Heerlijke gedichtjes, met de originele hondjestekeningen van Fleur van der Weel. Ik heb er de bundels ‘superguppie’ en ‘superguppie krijgt kleintjes’ bij genomen. Ik probeer maar één gedichtje uit te kiezen… Supermoeilijk… Dan maar uit elke bundel eentje:
Uit ‘Superguppie’:
ochtend
Ik lig hier
te wachten op later.
Ik adem nog zachtjes
als water
en elk van mijn ogen is dicht –
alsof er een schelpje op ligt
waardoor ik de dag
niet kan zien.
Misschien
is de ochtend
een strand.
Kijk kijk,
in mijn ooghoeken:
zand.
Uit ‘superguppie krijgt kleintjes’:
markt
Mam, het is niet erg
dat je mijn hand hebt losgelaten.
En dat je zomaar stilstond
om met weet ik wie te praten.
En dat ik je toen kwijt was
in de wijde marktzee –
alle mensen stromen hier
en ik stroomde dus maar mee.
Mama, dat geeft niet,
want ik zie je weer,
en ik zie hoe je naar me wijst.
Maar ik ben zo bang
dat je nu roept:
‘Mijn zoontje!
Afgeprijsd!’
Nog een paar van mijn favorieten: het bijzondere ‘Zootje was hier’ (met tekeningen van Carl Cneut), ‘Hagedissie het bijzonderwonder’ (staat bij mijn zoontje op nummer 1, met tekeningen van Sebastiaan Van Doninck), ‘Van de jongen die een eikenhouten stoeltje at’ (met Gerda Dendooven), ‘Eén miljoen vlinders’ (met tekeningen van Carl Cneut), en het taaljuweeltje ‘Al mijn later is met jou’ (met Rotraut Suzanne Berner). Eigenlijk is zowat alles wat hij schrijft een origineel taaljuweeltje. Ik schijf hier de namen van de illustratoren tussen haakjes voor de duidelijkheid, niet omdat ze minder belangrijk zouden zijn! ‘Pup en Kit’ vond ik ook heel fijn (met tekeningen van Geert Vervaeke). En het beklijvende ‘Dom konijn’ (met Gerda Dendooven). O, ik mag zeker het ongelooflijk verdrietige, hoopvolle en diepgaande prentenboek ‘Anna Maria Sofia en de kleine Cor’ (met Ingrid Godon) niet vergeten. Heb ik nu al een top-10?
Verder heb ik ook genoten van ‘Een verhaal met een tong’, ‘Een griezelmeisje’ (met Isabelle Vandenabeele ), ‘Jaap deelt klappen uit’ (met Jan Jutte), ‘Het woei’ (met Sebastiaan Van Doninck), ‘Resus’ (met Sylvia Weve ), ‘Kleinvader’ (met Ingrid Godon) en ‘Vanwege de liefde’ (met Klaas Verplancke). Deze staan nog op mijn leeslijst: Aanhalingstekens, Bijna alle sleutels, Wat ik vergat, Betrap me!, Gijsbrecht, Rood rood Roodkapje, Gloeiende voeten, Waar kunnen we hier een standbeeld krijgen?
Mijn favoriete passages uit ‘Ons derde lichaam’:
p. 60: Schrijven is nadenken, alle kleppen naar de drukte dichthouden en je hand het werk laten doen. (…) De tv moet uit, ik moet om me heen kijken, naar alles in mijn kamertje, en denken: zo hoort het, dit is echt, ik ben waar ik wil zijn.
p.89: Jij schrijft verder, maar voortaan daag je jezelf uit. Ik wil dat je over je eigen grenzen heen gaat. Het moet gevaarlijker, dieper, eerlijker vooral.
p. 92: Ik weet dat ik, als we al eens thuis zijn, veel op mijn kamer zit, en dat ik soms alleen maar leef in de woorden die ik voor mezelf neerleg. Maar ik moet wel: het helpt, bij wijze van ordening. Als ik schrijf word ik de verkeersagent van alles wat ik meemaak: die ideeën links, en daar een beslissing met voorrang.
p. 114: Misschien geldt dat voor iedereen die schrijft: je bent je eigen wegspringende aapje, en soms grijp je net nog een stukje van je eigen verdwijnende staart.
p. 183-184: Een werkelijk verhaal – was dat waar het om ging? Ik dacht: heeft elke mens een werkelijk verhaal? Of verandert iedereen details wanneer hij terugkijkt?
p. 185: Als jij me verzinsels geeft, en flitsen van foto’s, en ik laat dat zo, terwijl ik weet dat er ergens iets niet is zoals het is, dan kan ik nog maar één kant op: weg van jou.
p. 186: Leven is besluiten, dacht ik, ik besluit dat ik geen verhalen verzin en dat ik niet wegstop wat waar is en echt.
p. 190: En toen klopte er ineens van alles. Vonda verzon dingen. Ze loog.
p. 195: (…): alles heeft ze dus kunnen lezen, ik doe niet aan wachtwoorden, hoe klein van mij, hoe dommig, ik was een kuiken dat vrolijk in een bos met vallende bijlen liep.
p. 203: Vonda is opengezet. Haar gezicht is een masker dat met scharniertjes vast blijkt te zitten, maar het is losgekomen. Ik kijk, er zit een andere Vonda onder, o, wat lijkt ze – maar ze is het niet, niet helemaal. En help, het masker kan niet meer terug, het past niet meer.
p. 242: Ik las het PS in de brief van mijn moeder en helemaal uit Oslo schoot er een scherpe bliksem dwars door mijn hersens naar mijn hart, naar al mijn botten, mijn spieren, heel mijn huid. Er trok een jumpsuit van kippenvel over me heen. Een flits van Olivers lichtvingers, via via via, maar zo precies gemikt. Ik las het zinnetje zes keer over. Ik viel op mijn matras waar ik gelukkig naast stond, ik schoot weer overeind en ik viel nog een keer achterover. Ik probeerde op te staan, maar de pezen in mijn knieën waren van de elektrische schrik gesmolten en nog niet teruggehard, dus ik moest een minuut lang maar wat blijven hangen, daar op mijn Japanse bed.
p. 247: Maar jullie vriendschap zit behoorlijk ingewikkeld in elkaar. En misschien zeg ik het te hard, maar ze lijkt me behoorlijk verknipt. Had ik niet gedacht. Zo’n vlot meisje, zo lekker open. Nee dus. Daar moet nog heel wat therapie overheen.
p. 257: Hij ziet de nare plaatjes in andermans kop. (…) En ik sta misschien nog even op en ik geef hem misschien nog even een morgenochtend nergens terug te vinden kus.
p. 259: Dat was het – de nacht sloeg een bladzijde om in mijn hoofd en zette er zijn handtekening onder. Ik zou mezelf helemaal, helemaal openmaken, echt en naakt, en daarna moest Oliver maar beslissen wat hij ging doen. Ik zou de tijd in één klap de kop afslaan, want geschreven had ik die mailtjes niet voor niks. Schrijven die je nooit voor niks, nu wist ik het zeker.
p. 263: En toen begon mijn hart raar te kloppen, maar ik liet het zijn gang gaan. Een wachtklop was het, ik wist het wel. Het vasthameren van mijn zenuwen was het, gebonk van de tijd.
p. 268: En ik dacht ook: wanneer heb ik tijd om te schrijven? Want schrijven is fijn, schrijven redt me, ik ben alleen met mijn papier en alle gedoe schuifelt terug op zijn plek.
p. 273: En ik wist ook wel dat Ben geen blijver was. Hij stapt op wanneer het gezellig wordt. Zijn doei komt altijd onverwacht, en dus had ik zijn doei kunnen verwachten. Maar ik schrok toch, want ik wilde niet zonder Ben.