Zwart als inkt
Een tijdje geleden reageerde een lezer op mijn lofzang op Tellegen, dat er een hoop verhalen van hem waren waar ze niet van hield, ‘wegens te somber’. En Katrien opperde dat ze De genezing van de krekel misschien goed vond ‘omdat het goed eindigt’.
Té somber, denk ik. En: moet dat dan, een goed einde?
Maar tegelijk weet ik dat het argumenten zijn die vaak opduiken in recensies en meningen over kinderboeken.
Daarom:
Hoe somber mag een kinderboek zijn om nog kinderboek genoemd te kunnen worden?
Uitzichtloos, troosteloos, Zwart als inkt, mag dat?
Of moet er altijd een sprankeltje licht zijn?
Vertel eens…







Ik heb net ‘De almacht van de boktor’ van Toon Tellegen uit. Ik vind dit niet te somber, hoewel het einde een beetje dubbelzinnig is. Je kunt dit boek natuurlijk naar je eigen innerlijke gemoedsgesteldheid interpreteren, en dus de zonnige of de sombere aspecten onthouden…
Wat mij vooral bijgebleven is, zijn de ver-van-mijn-bed kommer- en kwelboeken die mij als prille tiener aan het einde van de jaren zeventig op school door de strot geduwd zijn. Deze boeken waren echt voldoende om voor de rest van mijn leven mijn bekomst van boeken te hebben. Gelukkig was ik toen al heel veel jaartjes een verwoed lezer, zodat die boeken van op school niet zo veel impact op me gehad hebben. Het onderwijssysteem mag er dan in geslaagd zijn om mijn creativiteit voor ettelijke jaren volledig de grond in te boren, het is ze toch niet gelukt om me mijn liefde voor boeken voorgoed te ontfutselen, gelukkig maar…
Ik denk dat ‘te somber’ of ‘een goed einde’ misschien niet zo belangrijk zijn voor mij als volwassene, maar dat dit voor kinderen, met hun nog vrij lege rugzakje, anders ligt. Ongetwijfeld vind ik die kommer-en kwelboeken van toen nu helemaal niet meer erg of zwaar om te dragen. Toen in elk geval wel. Het zal ook wel afhangen van de gevoeligheid van het kind en van in welke omstandigheden het opgroeit. En dus voor elk kind misschien verschillend.
Twee voorbeeldjes van die kommer- en kwelboeken van toen: ‘Merel Veronika Wereldkind’ van Marianne Colijn en ‘Het grote onrecht’ van Mireille Cottenjé. De titels staan me nog haarscherp voor ogen, van de inhoud herinner ik me niet zo veel meer. Ik geloof dat ‘Merel Veronika Wereldkind’ goed afloopt (aangezien het over adoptie gaat, heb ik nu opgesurft), maar dat maakte het hele boek er nog niet verteerbaarder op voor mij als tiener.
Enkele passages uit: Toon Tellegen & Mance Post, De almacht van de boktor (Querido)
p. 5 (begin): De boktor kon alles maken. Vleugels voor wie nooit gevlogen had. Vinnen voor wie niet zwemmen kon. Een schepnet om de zon vanachter de wolken te halen voor iemand die het altijd koud had. Duisternis. Verstand. Stilte.
Hij kon tegenzin maken, mismoedigheid, achterdocht en verveling, en hij kon ook moeheid maken, waardoor iemand ’s ochtends niet kon opstaan en andere dieren voor hem moesten zorgen, taarten voor hem gingen bakken en voor hem gingen dansen.
Als het zomer was kon hij het winter maken, en als het herfst was kon hij alle bloemen weer laten bloeien.
p. 46: Voor de wasbeer was slapen een feest dat hij elke nacht vierde. Hij hield niet van wakker zijn. En wakker worden vond hij het ergste dat er bestond. Als hij zijn ogen opendeed kromp hij in elkaar, keek om zich heen naar de donkere muren van zijn kamer en zei: ‘Hu’. Dit is dus de werkelijkheid, dacht hij.
p. 78: Hij [de boktor] ging in een stoel voor het raam zitten, in het donker, en telde zijn dagen. Toen hij korte tijd later was uitgeteld, keek hij naar buiten.
p. 80: De hazelmuis was na zijn verjaardag zo moe dat hij drie dagen en nachten sliep. Toen hij wakker werd besloot hij, uit louter tevredenheid, altijd in bed te blijven liggen en nooit meer iets te zoeken of zich af te vragen. Niet lang daarna had niemand meer van hem gehoord.
Een einde hoeft niet altijd goed te zijn. In een boek over de laatste dagen van een kind, sterft het kind uiteindelijk. Dat weet je op voorhand, daar ben je op voorzien. En dat doet pijn, ja, maar het leven is ook niet altijd even rooskleurig.
Maar ik hou zelf niet van eindes die de laatste bladzijden hoop geven, op een nieuw leven, op nieuwe kansen, en dan toch nog in de laatste zinnen die hoop de grond in boren. Daar kan ik dagenlang op blijven kauwen, dat verteert zo slecht.
Ik vraag me altijd wel af of ik mijn tijd nou wel zo goed besteed heb als een boek hopeloos eindigt.
Voor mij liggen verdriet en wanhoop soms dicht bij elkaar.
In een boek als ‘mijn zoute zoen’ van Gerda van Erkel gaat de hoofdpersoon dood. Ik heb de tranen uit mijn kop gejankt. De klanten in mijn winkel vroegen heel belangstellend wat er aan de hand was ;)
En toch heb ik dit als een positief boek ervaren.
Ik heb niet meteen een ‘wanhopig en hopeloos’ boek paraat. Ik ben een kampioen geworden in het mijden van dergelijke titels. Ze blijven knagen maar leiden je nergens heen.
(maar vanals mijn geheugen me deze boeken teruggeeft, laat ik het jullie weten:))
Joke
Er zijn me een paar titels te binnen geschoten van boeken die ik de laatste jaren las en die heel zwaar op mijn maag zijn blijven liggen. Het gaat hier niet om ‘goede’ of ‘slechte’ boeken en ik vind dat ik die boeken ook moet (blijven) lezen en ik heb er geen spijt van dat ik ze gelezen heb, integendeel. Alleen was het kommer- en kwelgehalte heel hoog en hebben ze me lange tijd gekweld.
Guy Didelez, Pril geluk (Manteau)
Dirk Bracke, Als de olifanten vechten (Davidsfonds/Infodok)
Jef Vermassen, Moordenaars en hun motieven. Monsters of mensen? (Meulenhoff) (gaf me een gevoel van algehele onveiligheid)
Annemie Struyf en Lieve Blancquaert, Mijn status is positief: een dagboek in zwart wit (Globe) (Uit dit boek heb ik alleen wat fragmenten gelezen, het stond niet op mijn leeslijst, ik heb het als geschenk gekocht. Ik heb geprobeerd om die stukken snel te vergeten en dat is me gelukt. ‘Insjallah, mevrouw. Ontmoetingen (z)onder de boerka’ (van dezelfde auteur-fotografe) heb ik wel grondig gelezen en ik vond het ook zwaar.)
Ik heb verder massa’s ‘zware’ boeken gelezen die niet zo onaangenaam zijn blijven hangen. Eén voorbeeldje: ‘De stille pijn van Luca’ van Kristien Dieltiens (Clavis). Over kindsoldaten heb ik ook ‘De ogen van de condor’ van Lydia Rood (Leopold) gelezen en daar hield ik geen kater aan over. Dus het ligt niet uitsluitend aan een bepaalde thematiek. En nu heb ik ‘Hij of ik?’ van Bettie Elias hier liggen op mijn groeiende leesstapel, ik ben benieuwd. Ik vond ‘Weg’ van Bettie Elias een ongelooflijk knap boek.
Ik heb net ‘Job, een beetje verliefd & ander gestress’ van Marly van Otterloo (Lannoo) gelezen, een zalig licht, luchtig en ontspannend boekje, daar heb ik ook wel eens behoefte aan. Ik denk dat dit ‘dicht-bij-hun-bed’ boekje kinderen echt aanspreekt. Ik had al het eerste boekje over Job gelezen (Job, de ontsnapte gevangene & ander gedoe) en ik kijk al uit naar mijn ontspannen leesmoment met het derde ‘Job, iets met verkering & ander gevaar’. Onlangs las ik nog ‘Niet kijken hoor, Klaartje Boon’ van Lauren Child (Van Goor). Ik hou van de boeken van Lauren Child (ook haar prentenboeken) en heb alle boekjes over Klaartje Boon gelezen. Lekker humoristisch, luchtig en ontspannend. Mag ook wel eens.
Een citaat uit ‘De ogen van de condor’ van Lydia Rood (Leopold)
‘Miguel viel dood neer toen ik hem raakte. Hij kreunde nog even en gaf bloed op. Zijn mond bleef half open hangen, zijn ogen draaiden. Miguel was mijn beste vriend en je kon altijd op hem rekenen. Hij probeerde niet vals te spelen, door bijvoorbeeld door te lopen nadat hij neergeschoten was, of zich achter de waterbak te laten vallen, seconden nadat je gevuurd had. En hij kwam niet met smoesjes aan als: ‘Maar jij had geen kogels meer,’ of: ‘Het is maar een schampschot.’ Nee, Miguel viel gewoon neer, reutelde wat en stierf. Op Miguel kon je altijd rekenen. Toen. Maar ik weet niet of iemand – sinds alles wat er daarna is gebeurd – nog op mij kan rekenen.’
En eentje van Lauren Child, uit ‘Niet kijken hoor, Klaartje Boon’ (Van Goor)
‘Jacek zegt dat het en mooie kamer is omdat hij op het zuidwesten ligt en er dus middagzon komt en als het ’s nachts helder is kan ik de sterren zien. Jammer, want ik heb het een beetje gehad met sterren omdat ze me doen denken aan oneindigheid en hoe groot de wereld is en dat ik niets kan doen om de luchtverontreiniging tegen te houden en alle troep en het smelten van de ijskappen – want ik ben maar een spikkeltje op de planeet. En hoe klein de sterren voor mij ook lijken, voor hen ben ik nog veel kleiner. Als je me vanuit het raam van een ruimteschip zou willen bekijken was ik nog kleiner dan minuscuul – je zou me niet eens kunnen zien.’
Nog een fantastisch mooi boek: Stralend kruid (Roberto Piumini). De jongen om wie het verhaal draait is een heel boek lang ziek en sterft op het einde. Maar zo ontroerend weergegeven… Met een taal die wat archïsch aandoet, maar dan op een manier alsof het erbij past. Ik herinner me dat ik ‘s morgens in bed het boek begon te lezen, dat ik in de namiddag naar een feest moest en dat ik het boek gewoon meenam om het daar verder te lezen. Zelden kon een verhaal mij zo vasthouden.
Ik denk echt dat er niks verkeerds is als je een kind zo een pareltje voorschotelt.