Water van zout
Het is zomer 2007. Het is warm op mijn kot, te warm om de buitenlucht te gaan verkennen. Dit semester verlekker ik me op mijn vak “populaire genres” bij professor Ghesquière: die populaire genres zijn eigenlijk kinder- en jeugdliteratuur. Het beest moet een ’sexy’ titel hebben, je kent dat wel.
Het is zomer en ik werk aan een paper over onbepaaldheid in kinderboeken. Ik ben namelijk nogal gefascineerd door de theorie van Wolfgang Iser, die meent in elk goed verhaal iets “unheimlichs” te ontdekken, een aantal lege plekken die door de lezer zelf ingevuld moeten worden. Zo wordt elk goed verhaal ook een stukje het vehaal van de lezer. Een inzicht dat ik tot vandaag nog steeds bewonder.
Het is zomer. In het kader van die paper kruip ik op de zetel met Water van zout van Bettie Elias. Het verhaal vertelt het verwerkingsproces van een kleine jongen wiens papa op zekere dag niet meer thuiskomt. Verongelukt. Met passages als deze huil ik tranen met tuiten:
‘Kom eens bij mij, jongen,’ zegt mama zacht. Dries staat al bij de deur. Langzaam draait hij zich om. Mama komt naar hem toe en omhelst hem voorzichtig. ‘Ik mis je,’ zegt ze met een trilling in haar stem. ‘Het is alsof je er niet meer bent…’Voor de eerste keer denkt Dries dat hij misschien ook dood zou willen zijn.
‘Ik ben er toch,’ zegt hij zacht. Meer niet. (p. 53)
Ik denk niet dat ik al ooit zo om een kinderboek heb moeten wenen. De catharsis is compleet. Ik lees het boek in een ruk uit en ik ben compleet l e e g. Op. En het zomert even niet meer in mijn kamer. Ik ben me blijven afvragen of dit boek ook een helend effect zou kunnen hebben op kleine jongens die hun papa écht verliezen. Is het dan opportuun om hen tot zo’n catharsis te dwingen? Leiden we de aandacht dan niet beter af met een fantasieverhaal, met een boek dat deze pijnlijke wereld doet vergeten?
Ik weet het niet. Ik ben zelf het type lezer dat een boek toeslaat wanneer de confrontatie te groot wordt. Aan de andere kant zoek ik vaak ook bewust antwoorden en loutering in literatuur. Zelfs als ik – midden zomer of niet – compleet ineen stort van een verhaal, dan doet dat op een bizarre manier ook “goed”. Dan helpt het dingen in perspectief te plaatsen en emoties te kanaliseren.
Wat doen we daarmee? Zo mooi geschreven boeken, recht naar het hart, maar zo pijnlijk. Nemen we de realiteit zoals ze is of houden we het bij wonderfeeën en toverdrankjes?
Euhm… geef mij dan toch maar het eerste.
