Hoe realistisch moeten personages zijn, en moeten ze dicht bij het kind/ de tiener staan?
Dit is een heel interessant thema dat al veel discussies uitlokte (bijvoorbeeld binnen de jeugdjury) en waarover al veel heen en weer geschreven is. Dat doe ik dus niet, alleen dit: ik kan me vinden in de vorige reacties. Een personage, aangenaam of niet, moet in de eerste plaats geloofwaardig zijn binnen het verhaal.
Maar, er is kinderliteratuur, er is jeugdliteratuur en er is adolescentenliteratuur. Dit heeft alles te maken met de rijpheid en background van de lezers, daar ga ik hier niet op in. Daar kun je een cursus psychologie bij halen. Of, zoals Karen zegt, het boek van Jan van Coillie: Leesbeesten en boekenfeesten. Maar toch dit terzijde: Wat een grote aanwinst zijn de adolescentenboeken of cross- overboeken. En dit heeft niet enkel met personages, maar ook met problematiek te maken. Die ging vroeger, toen de stap van jeugdboeken meteen naar boeken ‘voor volwassenen’ gezet werd, maar al te vaak over de hoofden van de lezers heen. Vele jaren lang lang leidde ik ook leesgroepen en interviewde ik in de literaire verkenningen van Moritoen (een culturele organisatie in West- Vlaanderen). Er waren verkenningen voor volwassenen en voor ‘jongeren’. Maar de twee groepen verkenden heel vaak dezelfde boeken. En zeg nu zelf: wat konden de 16-17-jarigen aan met de huwelijksproblematiek in ‘Het tranenmeer’ van Elisabeth Marain?
Maar goed, ik wil het hier over kinderboeken hebben.
Ik begrijp Stefan Boonen ten dele: personages moeten voor de kinderen herkenbaar blijven, maar dat betekent niet dat de personages doorsnee- kinderen moeten zijn. Wat valt er voor de lezer dan nog te ontdekken? Wat maakt ze dan interessant? Zou Pipi Langkous interessant geweest zijn als ze niet was wie Astrid Lindgren droomde? Of Karlson? Zou Mathilda verrassend geweest zijn? Of de GVR zonder zijn snoskommertaaltje? Of De Heksen indien Luke niet zo’n spannende oma had? Of Iep met haar vliegeltaaltje en Joke van Leeuwens fantasie? Een kind wil toch net méér beleven in een boek dan wat het iedere dag rond zich ziet?
Personages in kinderboeken moeten net iets méér of anders durven en doen dan de lezer zelf. En mogen ook een andere taal gebruiken, want het speelplaatstaaltje kennen ze zelf wel. Ook al is het geen elitelezer, zolang de auteur de psychologische en taalontwikkeling van de lezer in gedachten houdt, en dan toch uitdaagt, zit het wel goed. Dat heb ik zelf natuurlijk niet uitgevonden, maar 25 ervaring met leesgroepen voor kinderen (o.m. KJV) bevestigt dit wel.
Literaire kinderboeken hebben vaak het probleem dat ze emotioneel ( en vandaar ook literair taalkundig, in de beschrijvingen en de ssfeerzetting) boven de hoofden van de kinderen gaan. De emotionele spanningsdraad is sterker dan de reële ( verhaal-) spanningsdraad. En daar hebben weinig basisschoolkinderen een leesboodschap aan.
Hoe dan ook, zelfs kleuters smaken een personage, ook als dit ’stout’ is.
Een voorbeeld: Met mijn kleinkinderen las ik al vele malen (op hun vraag) HOUD DE DIEF van Geert de Kockere en Tom Schoonooghe. Ook al kennen ze de tekst ongeveer van buiten, ze verkneukelen zich nog altijd in Pier, want ‘Pier heeft snelle benen’ en is iedereen dus te vlug af. Dat zinnetje is hier nu zowat een staande uitdrukking met grote symboolwaarde geworden. En toch weten ze dat Pier, ‘een boef’ is, ‘een schurk, schelm’, een beetje zoals Reinaert vroeger. Ze supporteren voor hem, terwijl ze weten dat het niet goed is wat hij doet. Dat is, zoals het volgens mij in kinderboeken hoort, ook heel duidelijk op het einde van het verhaal: “hij zit nu diep, heel diep in de put…’ De figuurlijke betekenis ervan vraagt 2 minuten uitleg en is mooi meegenomen. En ook dit nog, mijn kleindochter in Denemarken heet Lotta. Ook dit is veelzeggend. Dochter Eva had als kind maar al te vaak plezier gehad met de ondeugende Lotta…
Ik keer terug naar de reacties op Karins oorspronkelijke mail: een lezer aanvaardt ieder personage, zolang hij/zij maar logisch functioneert binnen het verhaal en de lezer iets(meer) te bieden heeft. En zolang de auteur wel uitdaagt, maar dan zonder de bevattingswereld van het kind/jongere uit het oog te verliezen!
In boekenvriendschap
Jet







Via het weblog van Richard Thiel (JipJip) kwam ik toevallig op deze pagina terecht. Inderdaad een boeiende vraag. Hieronder wat losse gedachten over dit onderwerp.
Zelf schrijf ik niet-realistische boeken, in die zin dat het over niet-alledaagse figuren en situaties gaat. Maar binnen die verhalen probeer ik inderdaad alles wel ‘kloppend’ te houden qua ‘psychologie’ (misschien een wat groot woord m.b.t. mijn boeken).
Ook qua taalgebruik probeer ik bij mijn doelgroep (vreselijke term eigenlijk) van 9 + te blijven, al permitteer ik me af en toe weleens een ouderwets woord, maar dan zo dat uit de context blijkt wat ermee bedoeld wordt. Dit omdat ik nu eenmaal erg van taal houd en dus ook van ietwat in onbruik geraakte woorden, maar ook om die betreffende woorden niet teloor te laten gaan. Mijn uitgever is hier weleens wat huiverig voor, maar in de praktijk blijken kinderen meestal verrassend snel te begrijpen wat ermee bedoeld wordt.
Een nadeel van veel realistische boeken is dat er vaak wel het speelplaatstaaltje in gebruikt wordt, in de hoop dat de jonge lezer zich erdoor aangesproken zal voelen. Een probleem hierbij is dat de betreffende schrijvers, die vaak toch een stuk ouder zijn dan hun lezers, dergelijke termen dikwijls net niet helemaal in de vingers hebben, waardoor het vaak niet overtuigend op papier komt.
Daarbij kleeft aan zulk taalgebruik het probleem dat het maar beperkt houdbaar is. Boeken van bijvoorbeeld Carry Slee, hoe populair ze nu ook zijn (althans in Nederland), zullen hierdoor naar mijn mening over een jaar of tien niet meer gelezen worden, terwijl boeken van meer ‘tijdloze’ auteurs als Paul Biegel het wellicht wat langer vol zullen houden. Al is het verloop tegenwoordig natuurlijk groot en uiteindelijk raakt elke schrijver in de vergetelheid.
In Nederland zijn fantasieboeken, zoals ik het genre dat ik beoefen maar zal noemen, lange tijd verdacht geweest. Op zijn minst moest het over echtscheidingen gaan, mishandeling, huiselijk geweld, incest e.d. Gelukkig is daar sinds het succes van de Harry Potter-reeks enige verandering in gekomen, maar helemaal geaccepteerd is het fantasiegenre nog niet. Je moet er toch iets van ‘opsteken’.
In recensies wordt er nauwelijks aandacht aan besteed. Wel is er veel aandacht voor de jeugdboeken van Querido en aanverwanten, maar die gaan inderdaad vaak over de hoofden van de jeugdige lezers heen, en belanden ondanks alle toegekende prijzen op den duur vaak in de schappen van De Slegte. Het zijn in mijn ogen eigenlijk meer ‘jeugdboeken voor volwassenen’, dit in tegenstelling tot de zogenoemde cross-overboeken, die daadwerkelijk voor jong en oud zijn.
Uiteindelijk heb je alleen goede boeken en slechte boeken. Sommige zijn uitsluitend voor de oudere, ervaren lezer; andere zijn voor jeugdige of zeer jeugdige lezers; en sommige zijn voor lezers van 9 tot 99, om de befaamde slogan van een inmiddels ter ziele gegaan jeugdtijdschrift te parafraseren. Mijn boeken bevinden zich, naar ik hoop, in de laatste categorie.
Henk Hardeman
http://www.henkhardeman.nl
Ik ben het helemaal met Jet eens. Je hebt de problemen duidelijk uiteengezet en door de voorbeelden hard gemaakt.
Ieder jeugdpersonage hoort iets byzonders te hebben dat de lezertjes aanspreekt.
Met hartelijke groet, Corry
Dag Jet,
Ik vind het woord “bevattingswereld” dat je gebruikt erg mooi en zeer toepasselijk in deze context. Personages in kinderboeken moeten natuurlijk per definitie geen kinderen zijn, maar ze moeten wel “kunnen”. Dat heb je heel duuidelijk uitgelegd!
Beste Jet,
Als tekenaar van het boek ‘Houd de dief!’ voelde ik me nooit betrokken bij Pier, ik ben immers geen dief. Toch voelde ik me erg geraakt door het einde van het boek, waarin hij zélf in de nor (hol) belandt. Pier steelt en stelen mag niet, dus wordt hij gestraft. Deze synthese is duidelijk en juist, vooral voor kinderen. Pier wordt zo ook erg menselijk, want bewust heb ik toen (11 jaar geleden jaja!) zijn gezicht niet getoond. Stiekem voel je toch mee met zijn schuldgevoel, het verdriet en verlegenheid.
Hoe slecht een figuur ook is, je moet er toch altijd jezelf een beetje in kunnen terugvinden. Al is het in Pier’s geval misschien slechts een fractie. Hoe door en door slecht een protagonist ook is, dat éne menselijke kantje moet je er toch uit kunnen halen, anders heb je niet te doen met een mens en heb je dus geen goed personage. Dit hebben we van oppercineast Hitchcock geleerd. Hoe gevaarlijk of gemeen een gangster voor hem ook was, al-tijd kon je er ook sympathie voor krijgen, al was het maar voor eventjes.
Personages die enkel door en door slecht zijn, die bestaan enkel onder de vorm van onmenselijke figuren, zoals monsters bijvoorbeeld.
Als illustrator is het altijd fijn die grens op te zoeken tussen de schoonheid van een slecht figuur en zijn lelijke inhoud. Hij moet lezers en kijkers aantrekken, maar tegelijk ook van zich afduwen.
Het feit dat kinderen toch nog sympathie krijgen voor Pier, ligt onder andere aan zijn onhandigheid. Pier is dom en gemeen, maar toch ook wel grappig. Hij is een tragisch figuur waar volwassenen eerder medelijden voor krijgen dan kinderen. Kinderen lachen wel om hem, maar ze zijn onverbiddelijk wat betreft zijn lot.
Spontaan denk ik aan Patrick Haemers, die ondanks alles veel aandacht kreeg van vrouwen. Als je aan een kind het levensverhaal van Haemers zou vertellen zouden ze droogjes antwoorden : ‘het is zijn verdiende loon dat hij zo geëindigd is, dieven horen achter slot en grendel’. terwijl sommige volwassenen toch nog durven denken van : ‘tja, hij was een schurk, maar wel een knappe…’
Dag Tom,
Dat is nog eens een verrassende reactie, twee jaar na mijn berichtje!
Maar ik ben blij dat je, uit het oogpunt van de tekenaar, mijn bevindingen vollediger maakt. Ik kan je hier ook geen ‘illustrator’ van ‘Houd de dief’ noemen,de tekeningen vertellen hun eigen verhaal. Daardoor konden mijn kleuterkleinkinderen , ook de anderstaligen, méélezen. En inderdaad: daar had ik niet bij stilgestaan: Piers gezicht zie je in de kuil niet!!! Ik ga hen meteen vertellen waarom. (Wellicht is hun antwoord vlugger dan mijn uitleg…)
In boekenvriendschap, Jet