Bundels uit de kast
Toch een beetje verschoten van de vaststelling dat hier nauwelijks sprookjes voorgelezen of verteld worden, dook ik in mijn boekenkast. Wat me niet meteen een antwoord opleverde op de vraag waarom, maar wel enkele sprookjesbundels en -bewerkingen die van onder het stof mogen, voor mijn ventjes en voor Vertel Eens. Vandaag alvast enkele sprookjesbundels.
De eerste in het rijtje, Grimm. Volledige uitgave van de 200 sprookjes verzameld door de gebroeders Grimm, vertaald door Ria van Hengel en geïllustreerd door Charlotte Dematons (uitgeverij Lemniscaat), anticipeert in het voorwoord van de uitgever al op de bezwaren die er heden ten dage tegen sprookjes blijken te bestaan: ‘Wie de sprookjes leest zal verrast worden door hun kleurenrijkdom en veelzijdigheid, waarbij men zich er steeds van bewust moet zijn dat deze vaak oeroude verhalen meer dan honderdvijftig jaar geleden zijn opgetekend. Ze weerspiegelen een voorbije samenleving, waarin anders werd gedacht over maatschappelijke verhoudingen, seksen en rassen dan nu, en waarin bijvoorbeeld de stiefmoeder een andere betekenis had dan in de huidige tijd. De thema’s waar het in de sprookjes om gaat, zoals liefde en haat, zoeken en vinden, recht en onrecht, trouw en ontrouw, goed en kwaad, angst, woede en hoop, zijn van alle tijden, maar ze zijn altijd gestoken in het jasje van het verleden. Zo was wreedheid vroeger normaler dan nu: de heks gaat zonder pardon de oven in en de boze stiefmoeder krijgt gloeiend heet gestookte ijzeren schoenen aan. De ervaring leert dat kinderen daar minder moeite mee hebben dan volwassenen. Blijkbaar beleven zij toch vooral dat het kwaad wordt bestraft.’
Ondanks die bezwaren vond uitgeverij Lemniscaat het enkele jaren geleden nodig een nieuwe ‘complete Grimm’ uit te geven, met al de bekende maar ook veel weinig tot niet bekende sprookjes, kriskras door elkaar, volgens de nummering van de gebroeders Grimm zelf. Het is een pracht van een boek geworden, compleet met linnen band en leeslint en met op elke pagina kleurenillustraties van Charlotte Dematons, soms paginagroot, soms een kleine begeleidende prent, soms dwars door de tekst heen, soms piepkleine vignetjes tussen de tekstblokken. Wat meteen opvalt aan de meer dan vierhonderd illustraties is dat Dematons heel uitdrukkelijk niet voor één stijl gekozen heeft – en daarin schuilt meteen ook een grote kracht. Zo heterogeen als de door de gebroeders Grimm verzamelde sprookjes zijn, zo verscheiden zijn de prenten en daardoor sluiten ze vaak perfect aan bij de sfeer van het verhaal. Een ware meesterproef, een bewijs van Dematons veelzijdige kunnen. Alleen al om de prachtige prenten zou je dit boek in huis halen. Als je dat doet, zul je bovendien merken dat Ria van Hengel de sprookjes op een knappe manier vertaald heeft voor kinderen van nu: ze is dicht bij het origineel gebleven – een brongetrouwheid die je mag verwachten van een ‘complete Grimm’ – maar dan wel in een érg vlot Nederlands, dat mooi balanceert tussen tijdloos en hedendaags en daardoor lekker voorleest.
Maar nóg mooier vind ik En ze leefden nog lang en gelukkig. De mooiste sprookjes opnieuw verteld, een bundel van Henri van Daele en Thé Tjong-Khing (uitgeverij Davidsfonds/Infodok). Henri van Daele selecteerde veertig bekende en minder bekende sprookjes, uit de verzamelingen van Grimm, Andersen, Perrault en anderen, en vertelde ze opnieuw, trouw aan het origineel, maar in zijn geheel eigen stijl, vlot, pittig, meeslepend, vol knipoogjes en rake opmerkingen, en vooral: in een heerlijk Nederlands. Bovenop het talent van taalvirtuoos en rasverteller Henri Van Daele ent zich dat van de illustrator Thé Tjong-Khing. Hij voorzag de sprookjes van ronduit schitterende prenten. Bij het schrijven van dit stukje blijf ik door de bundel bladeren, wordt mijn blik steeds opnieuw getrokken door enkele adembenemend mooie illustraties. De gelaarsde kater die zich aandient bij de koning, de stiefmoeder van Sneeuwwitje die in de spiegel kijkt, de zeven geitjes die in paniek wegvluchten voor de wolf…: ik kan er naar blijven kijken. Wat mij betreft prikkelender en een pak fascinerender dan de illustraties van Dematons. Een prachtige sprookjesbundel! (En voor wie er niet genoeg van krijgt, is er van hetzelfde duo ook nog Er was eens een prinses. De mooiste sprookjes over prinsen en prinsessen.)
Ook in Grootmoeder wat heb je grote oren… van Jacques Vriens (uitgeverij Van Holkema & Warendorf), waarin zestien van de allerbekendste sprookjes worden naverteld, staan illustraties van Thé Tjong-Khing: bij ‘Repelsteeltje’, ‘Assepoester’, ‘Roodkapje’ en ‘De rattenvanger van Hamelen’. Philip Hopman, Alex de Wolf en Klaas Verplancke illustreerden de andere verhalen, elk in zijn eigen herkenbare stijl. Die visuele verscheidenheid en de vele mooie, kleurrijke prenten zijn de grootste troeven van deze bundel, die verder lekker en vlot voorleest zonder veel meer.
Helemaal anders is Sprookjestijd van Rotraut Susanne Berner (uitgeverij Querido), nu heruitgegeven als Rotraut Susanne Berners sprookjesboek (uitgeverij Lannoo). Zeven sprookjes (‘De Kikkerkoning’, ‘Vrouw Holle’, ‘Duimpje Dik’, ‘Raponsje’, ‘Jorinde en Joringel’, ‘Gelukkige Hans’ en ‘Roodkapje’) zijn door de bekende Duitse illustratrice in een nieuw en verrassend jasje gestoken: dat van een strip. De prenten van Rotraut Susanne Berner zijn prachtig als altijd, kleurrijk, fantasierijk, origineel, met iets kinderlijks naïefs bijna, vol grapjes en verrassende details. De bladen tussen de verschillende sprookjes zijn telkens geïllustreerd met een paginagrote prent van een voorlezende figuur waarrond zich steeds meer dieren verzamelen, en vertellen zo samen een verhaal op zich, met een onverwachte ontknoping, geheel in sprookjesstijl. Een heerlijk boek, waar je opnieuw en opnieuw naar kunt kijken en daarin je steeds weer nieuwe details kunt ontdekken. Op en top vakmanschap!
Tot slot nog een bundel sprookjes voor eerste lezers: Mijn eerste sprookjesgroeiboek van Hilde Vandermeeren, met illustraties van Rosemarie de Vos (uitgeverij Davidsfons/Infodok). De bundel maakt gebruik van de sinds Vos en Haas bekende succesformule van het groeiboek: doorheen het boek groeien de verhalen mee met het leesniveau van de beginnende lezer, van AVI 0 tot AVI 5, of: van bijna stripachtig aandoende verhalen die vooral gedragen worden door de illustraties, vergezeld van korte, eenlettergrepige, uiterst eenvoudige tekstjes, tot complexere verhalen, waarin het gewicht meer bij de tekst komt te liggen. Hilde Vandermeeren is erin geslaagd 24 sprookjes te hervertellen binnen de strenge beperkingen van de AVI-niveaus, al neemt ze af en toe haar toevlucht tot een wat te artificiële kunstgreep om binnen een of ander niveau te blijven, Rosemarie de Vos maakte aantrekkelijke illustraties, vormgever Daniël Peetermans goot alles in een uiterst verzorgd en mooi jasje: een mooie uitgave voor beginnende lezers die zich zélf aan de sprookjes willen wagen.



Ik val zelf voor de bundel ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’ van Van Daele en Thé Tjong- King, maar uit ervaring weet ik dat ‘Grootmoeder wat heb je grote oren’ van J.Vriens zich veel gemakkelijker laat voorlezen. Van Daeles prachtige vertelkunst is nog net even boven het petje van kleuters en prille basisschoolkinderen, er gaat te veel verloren. En, omdat ik vind dat voor kleine kinderen de – weliswaar zo esthetisch mogelijk verpakte -inhoud nog altijd bevattelijk moet zijn en dus prioritair is, grijp liever naar J.Vriens Grootmoeder! Hier helpt de redenering niet :”Ze pikken er altijd wel iets van op”, sprookjes moeten ze gewoon helemaal begrijpen.
Jet
Ik probeer het hier ook een keer – al zal dat even moeten wachten, mijn vijfenhalfjarige is in de voorleesban van Tobie Lolness…
:-) Wat leuk, Karin: wie nu nog durft te beweren dat kinderen “dit of dat nog niet aankunnen” heeft het nu wel defintief mis…