Van een hoenderhok en veel knuppels
Tien jaar geleden zag Sjoerd Kuyper ‘de kinderboekenwereld als een lekker tropisch eiland, ver van de kille calvinistische rompslomp op het vasteland. Ik ken er vrijwel iedereen, mag de meesten graag, ben met sommigen intiem bevriend, en we hebben het nooit over ons werk. En we leven er goed van. Onze tafels staan vol vrolijke spijzen en de wijn schommelt dieprood in de fonkelende glazen.’ Dat had hij niet moeten zeggen, want ‘zij op het vasteland dachten: blijf dan maar lekker zitten waar je zit en verroer je niet, en wij op het eiland, wij zaten té goed – we vielen van onze stoelen en sliepen op het zachte mos de slaap der zelfvoldanen.’ Terwijl de kinderboekenschrijvers indommelden veranderde er vanalles. ‘Er zijn de afgelopen jaren akelige dingen gebeurd. Maar omdat we zo lekker lagen, op het mos naast onze stoel, dachten we dat het geen dingen waren, maar nachtmerries.’
In de tiende Annie M.G. Schmidtlezing, die hij vorige week hield in Leiden, gaat Sjoerd Kuyper na wat er veranderd is. En het stemt hem niet vrolijk. Dat is zacht uitgedrukt. Nee, Sjoerd Kuyper is boos. En gelijk heeft hij.
In ‘een vlammend betoog dat een uur duurde en dat van het prille begin tot de laatste snik boeiend was en de luisteraars op het puntje van hun stoel hield’ gaf hij zowat iedereen in de kinderboekenwereld ervan langs.
Het falende onderwijs, dat ‘martelwerktuigen [hanteert] als avi-niveaus, tot de kinderen alleen nog maar fuk en sjit kunnen lezen, de canon der vaderlandse eloquentie’.
De hoogleraren letterkunde, die ‘van de daken schreeuwen dat lectuur de hoogste vorm van literatuur is’.
De media, die zich van het kinderboek hebben afgewend: ‘Ik herinnerde mij de tijd waarin ieder landelijk dagblad een wekelijkse rubriek had over kinderboeken. Die stukken werden geschreven door vrouwen en mannen met grote kennis van en liefde voor de jeugdliteratuur. Ik herinnerde mij de onvolprezen bijlage van Vrij Nederland, De Blauw Geruite Kiel, geheel gewijd aan de jeugd. Beginnende schrijvers konden daarin onder supervisie van gelouterde auteurs naar hartelust kwinkeleren en al doende een eigen stem ontwikkelen. Zij schrijven nu onze mooiste boeken. Zelfs De Gids, ons allersjiekste literaire tijdschrift, had eens een jeugdrubriek. Dat alles was verdwenen en er kwam niets voor in de plaats. Maar wij kinderboekenschrijvers berustten en dachten met Kafka: Het erge moet erg blijven – anders wordt het nog erger. Het werd nog erger: de kleine stukjes werden vervangen door nog kleinere stukjes, stapelrecensietjes eens in de maand.’
De kinderboekenschrijvers, die ooit ‘het ene meesterwerk na het andere publiceerden’ – ‘U kent de namen. Die tijd is voorbij. We kochten ons tropische eiland, vervielen van kauwen in herkauwen en vonden elkaar prachtig’ – maar nu een veilig bestaan opbouwen ‘met het doen van dingetjes: verhaaltjes in tijdschriftjes, liedjes, opdrachtjes, lezinkjes op schooltjes, vervolgjes op eigen werkjes in succesformuletjes, dit alles sterk gestimuleerd door uitgevers. Je suddert er maar wat op los en zo kom je de winter wel door. Soms heb je nog grootse en meeslepende plannen, ‘s nachts op je terras onder de sterren, maar als je die uit wilt voeren ben je maanden bezig, maanden waarin je ook zaken kunt doen, dus je schuift ze terzijde. En zo vergeet je waar het je om ging toen je begon met schrijven.’
De leesbevorderaars, die de wereld van het kinderboek verleuken, geiten laten opdraven bij boekvoorstellingen en schrijvers in pyjama: ‘Zo dacht ik dat ik droomde dat de werkgroep jeugdboekenschrijvers van de VvL, onze vakbond, een nachtbal voor kinderen organiseerde en de schrijvers opriep daar in pyjama te verschijnen. Maar het was echt zo.’ De leesbevorderaars, die kinderboekenauteurs op bijeenkomsten en symposia laten opdraven ‘voor een knikker en een scheet’.
Maar vooral de kinderboekenuitgevers kregen ervan langs. De kinderboekenuitgevers, die ‘af willen van het modelcontract en daarmee aangeven kinderboeken niet meer als literatuur te willen zien’. De kinderboekenuitgevers, waar het altijd goed [gaat]‘ maar er ‘steeds minder [kan]‘. De kinderboekenuitgevers, die zich richten op ‘het vervaardigen van pulp waarvan je zeker weet dat je er net genoeg van zult verkopen om je omzet te halen, je targets’ en die niet het risico willen nemen ‘om te investeren in je goede smaak’. De kinderboekenuitgevers, die de afgelopen jaren hebben beknibbeld en bespaard op honoraria en royalties. De kinderboekenuitgevers, die zijn afgestapt van een ‘eeuwenoud, nobel principe’, volgens hetwelk uitgevers altijd al bestsellers uitgaven ‘om met het geld dat ze daarmee verdienden de boeken te kunnen financieren die ze werkelijk wilden maken’. De kinderboekenuitgevers, die de slaafjes zijn geworden van de megaconcerns waartoe ze behoren. De kinderboekenuitgevers, die weigeren zelfs veel gelauwerde kinderboeken, met haast de status van een klassieker, te herdrukken, omdat ze niet in een format, een serie, een formule passen.
Ja, Sjoerd Kuyper is boos. En somber, ‘en gelijk heb ik, want de toestand is somber, maar ik wil er nog één keer stevig tegenaan’. Dat doet hij door aan het eind van zijn lezing voorstellen te formuleren om iets aan de huidige toestand te doen, maar vooral ook door zijn vlammende, bezielde lezing. Het zijn vele knuppels die hij daar in het Leidse hoenderhok heeft gegooid, maar ze zijn zinnig en terecht en nodig. Broodnodig. Misschien brengen ze het debat weer op gang, waaraan het de kinderboekenwereld de afgelopen jaren zo heeft ontbroken. Laten we hopen dat zijn woorden tot ver buiten de Leidense kansel en de eigen parochie weerklinken.
Ondertussen roept hij de verzamelde kinderboekenschrijvers op ‘weer mooi [te] gaan schrijven’: ‘Dus aan het werk, vrienden, vanavond nog, vannacht. Als de kunstenaars die we waren en zijn. Onze boeken kunnen van kinderen mooie grote mensen maken: mooie lezers, boekverkopers, uitgevers en recensenten, mooie schrijvers van prachtige boeken. Maar dan moeten onze boeken ook prachtig zijn.’
De lezing van Sjoerd Kuyper zal worden gepubliceerd in een van de volgende nummers van Literatuur Zonder Leeftijd, maar is ondertussen al te lezen op de website van het NRC Handelsblad (verplichte lectuur!). Ook Het Parool, De Volkskrant, Boekblad, de nieuwshoek van Villa Kakelbont, JipJip en het weblog van Ted van Lieshout besteedden er al aandacht aan.






Ik vind het schitterend. Ik heb de lezing uitgeprint en stukjes opgehangen aan de muur achter mijn computerscherm. Om gefocust te blijven…
Ik heb begrepen dat de Vlaamse pers de lezing volstrekt oninteressant vindt? Ik ben wel benieuwd hoe de Vlaamse situatie op dit moment is.
De Standaard der Letteren, de letterenbijlage van de standaard (een beetje de Vlaamse NRC), vindt niet dat ze hieraan aandacht moet besteden, nee. Treurig.
Eén kort citaat uit de lezing in Standaard der Letteren, in de rubriek ‘Zogezegd’. Zonder commentaar, duiding of achtergrond. Standaard der Letteren heeft ook bevestigd hier geen aandacht aan te gaan besteden…
In De Leeswelp komt die er wel, Ted, met in het volgende nummer een algemeen stukje, en in de nummers daarna een reeks artikelen over de situatie nu (in Vlaanderen én Nederland)…
[...] pen’ overigens de Woutertje Pieterse Lezing, een soort vervolg of antwoord op de beruchte Annie M.G. Schmidtlezing van Sjoerd Kuijper: ‘De tijd stond stil, en ik ook omdat ik verstrikt was geraakt in mijn eigen slijmerige [...]
[...] – en boeken tout court – uitgegeven. Het verschijnsel werd al aangekaart door Sjoerd Kuyper, en vormde ook stof tot discussie op de Middag van het Kinderboek, die Ted van Lieshout en Hans [...]