Over lezen: De Leeswelp 2009/4
Enkele dagen geleden viel het nieuwe nummer van De Leeswelp in de bus. Naast tal van recensies van recente kinder- en jeugdboeken bevat het blad zoals gebruikelijk een aantal artikelen over jeugdliteratuur.
In ‘Ridder Rikki is in een boek en wij niet’. Prentenboeken lezen als literatuur vertelt Coosje van der Pol, onderzoekster aan de universiteit van Tilburg, over haar promotieonderzoek naar hoe kleuters prentenboeken op een literaire manier kunnen lezen. Hoe verloopt de ontwikkeling van literaire competentie bij jonge kinderen, en hoe kan dat proces ondersteund worden? Van der Pol werkt met drie literaire thema’s (personages, spanning, ironische humor), en heeft voor 24 prentenboeken hierrond leesaanwijzingen opgesteld, waarmee een leerkracht aan de slag kan. Een interessant onderzoek over hoe zelfs kleine kinderen groeien in hun perceptie van fictieve teksten en hun eerste vaardigheden verwerven als literaire lezers. Boeiend is ook om reacties van leerkrachten op deze werkwijze te lezen. Een van hen vond het bijvoorbeeld belangrijk dat ze met behulp van de leesaanwijzingen ‘literaire vraagstukken met kinderen kan aansnijden, want qua theorie heb je als leerkracht wel een idee waarover het bij literaire competentie gaat, maar hoe pak je dat nou praktisch met kleuters aan?
Paul Biegel is een van de acht auteurs die door Bregje Boonstra in Wat een mooite! tot de allergrootsten van de Nederlandse kinderliteratuur van de laatste decennia van de 20ste eeuw wordt gerekend. Ger van Hoek schetst een uitgebreid portret van hel in Meesterverteller en taalvirtuoos. Uitgangspunt zijn drie van zijn verhalen: Nachtverhaal, De tuinen van Dorr en Anderland.
Begin april had ik een drie uur durend gesprek met afscheid nemend Querido-kinderboekenredacteur Jacques Dohmen. Een neerslag ervan is te lezen in ‘Ik heb zoveel teruggekregen’, waarin Dohmen vertelt over zijn carrière, de hoogtijdagen van de jaren 1980 en 1990, de opbloei van het literaire kinderboek, het werk van een redacteur, het intensief begeleiden van auteurs en illustratoren, uitgeven voor kinderen, de Vlaamse Vlucht, bevlogenheid, de recente ontwikkelingen en nog veel meer. In ‘Voor elk boek dat ik noem…’ geeft hij een inkijkje in de boeken die hem in zijn dertig jaar redacteurschap op bijzondere wijze geraakt hebben.
In ‘Mijn personages zijn het hart en de motor van mijn boeken’ interviewt Jürgen Peeters auteur Jan de Leeuw, die al enkele opgemerkte adolescentenromans schreef en onlangs het verrassende Bevroren kamers publiceerde (een boek dat in dit nummer ook uitgebreid besproken wordt door Jürgen Peeters). ‘Het wordt natuurlijk als taboe aanzien om de adolescentenliteratuur beperkingen op te leggen. Qua thematiek en structuur geloof ik dat evenmin. Op stilistisch vlak let ik er enkel op geen ellenlange beschrijvingen toe te voegen. Je kan je geen saaie stukken permitteren. Maar verder zijn adolescentenromans voor mij gewoon literatuur.’
Verder bespreekt Chris Bulcaen in Een boktor met gesteven kraagje het essay dat Joost Pollmann schreef over het menselijke van dieren in strips’.
Uitgebreide recensies zijn er ook van Meneer Satie, de man met een kleine piano in zijn hoofd van Carl Norac en Elodie Nouhen, Wie knipt de tenen van de reus van Jan Smeekens en Voel je wat ik voel? van Jan van Coillie. Ook worden een aantal non-fictiewerken overde ruimte besproken.
