RECHT OP BOEKEN (en recht op opvoeders die het verschil maken)
Nu de aftrap van de Jeugdboekenweek gegeven is, kan in alle straten, pleinen, scholen en bibliotheken de kreet ‘Recht op boeken’ (de slogan van deze Jeugdboekenweek) weerklinken. Nochtans kan je niet zeggen dat er te weinig boeken zijn. Er zijn waarschijnlijk nooit zoveel kinderboeken verschenen als vandaag. En toch is de roep naar boeken meer nodig dan ooit.
Er is iets fantastisch aan het leesvirus: het kan zich massaal verspreiden. Iemand die besmet is kan een heleboel anderen aansteken. Als we maar genoeg geduld hebben, raakt op den duur de hele wereld wel besmet, zou je denken. Maar is dat wel zo? Of dragen te veel opvoeders mondmaskertjes om verdere besmetting te vermijden?
Ikzelf heb nooit een leerkracht gehad die me met zijn leesgierigheid heeft besmet. Niet in de kleuterschool, noch in de lagere school of in het middelbaar onderwijs. In sommige klassen van de lagere school was wel een klasbibliotheek aanwezig met boeken die ik best wel las. En boekbesprekingen heb ik ook af en toe moeten maken. Maar dat bracht me er nooit toe een echte lezer te worden. De ‘transfer’ naar mijn leven buiten de school was er niet. Wat liep er dan mis? Simpel: het enthousiasme van mijn leerkrachten ontbrak. Dat vuur dat me moest aansteken. Ik heb nooit het gevoel gehad dat mijn leerkrachten zelf van boeken hielden.
Na mijn schoolloopbaan was ik dan ook alles behalve een lezer. En ik ben er rotsvast van overtuigd dat dat zo zou gebleven zijn, mocht ik niet die persoon ontmoet hebben die toch het verschil maakte. Want gelukkig heeft mijn verhaal wél een happy end.
Wie was dat dan? Als een van de laatste dienstplichtigen besloot ik burgerdienst te doen. En zo kwam ik terecht in het Cultureel Centrum van Hasselt, waar op dat moment Barbara Wyckmans (nu artist
iek directrice van HetPaleis in Antwerpen) mijn diensthoofd was. Barbara slaagde in datgene waar al mijn leerkrachten de jaren daarvoor gefaald hadden: ze leerde me van boeken houden. Niet door erover te prediken, maar omdat het enthousiasme zo van haar afstraalde dat ze het niet verborgen kón houden. Barbara ademde boeken uit. Wat zij voelde wilde ik ook ervaren. En zo ben ik een lezer geworden. Ik ben haar eeuwig dankbaar. Veel meer dan al mijn leerkrachten bij elkaar.
Ik wil hier niet de zoveelste discussie losweken over het al of niet falen van het onderwijs als het om leesbevordering gaat. Ik ben gewoon nieuwsgierig. Deze keer wil ik van u eens horen wie bij u het verschil heeft gemaakt. Wie van u een lezer heeft gemaakt.
Want veel meer nog dan boeken zijn er mensen nodig die hun zakdoek vergeten bij het niezen. Die hun bacillen gerust in het gezicht van hun kinderen of leerlingen durven blazen. Kinderen hebben er recht op!



Bij mij is het mijn vader geweest. Elke zondagmorgen naar de kerk en daarna naar de bib. Een kleintje ergens op een tweede verdieping, een metalen trap, een kleine ruimte vol rekken en boeken en dan die geur… Pinkeltje, Mieke-omnibus,… in mijn tas en van die hele dikke boeken in de tas van mijn vader.
En dan thuis samen lezen, elk in ons verhaal. Ik hoorde mijn moeder die klaar was met het eten, mijn vader niet… Helaas moet ik hem al 6 jaar missen en vaak denk ik ‘ho, dat zou va ook graag gelezen hebben’ of ‘hierin vind ik misschien vingerafdrukken van mijn vader’.
Toch ken ik ook enkele leerkrachten die het onbewust op mij hebben overgebracht. Een juf vol poëzie en theater waarbij we van ‘Ik ben lekker stout’ mochten genieten, een leraar godsdienst die bij sneeuwweer en gebrek aan veel leerlingen zijn ‘Kartouchke’ ter hand nam,… ik weet het niet maar als ik aan het lees- of boekenvirus denk dan denk ik dat het van daar komt. En driemaal(misschien zelfs meer) besmet worden met een zelfde soort virus is voor een mens zijn weerstand te veel, niet?
Hier ben ik het dus alweer grondig mee eens, zie!
Bij mij was het de kracht van de boeken zelf! De verhalen, de fantasie, de avonturen… Zij hielden me aan het lezen! En daar schuilt de ware kracht van de leesbevordering… Geen praatjes over boeken; laat de boeken zelf het werk doen!
P.S. En natuurlijk kom ik uit een boekenminnend gezin! Een moeder die elke avond verhaaltjes uit haar duim kwam zuigen, of kwam zingen… Van kleins af aan lid van “de boekerij”, zoals de bib toen heette, ouders lid van “het davidsfonds”…
En op school? Nee. Daarvan kan ik me niks herinneren.
In de lagere school leerde ik lezen… Ik herinner me geen stimulerende leerkrachten die er me op wezen dat boeken lezen ook wel eens prettig kon zijn. Lezen was: goed articuleren, juiste intonatie en klemtonen, juist afbreken. Niet prettig dus.
In de secundaire school was het stukken beter. In het handboek stonden veel fragmenten uit jeugdboeken en in de eerste drie jaren van het secundair had ik leerkrachten die die fragmenten ook lazen en bespraken. En ja, het waren de gloriejaren van de Lemniscaat-boeken: Jan Terlouw, Anke De Vries, Thea Beckman, Evert Hartman…. Ik denk dat het vooral hun fout is dat ik niet meer van boeken kon afblijven en nu, als jeugdauteur, blijf ik Jan Terlouw als lichtend voorbeeld noemen.
En dat ik de leesmicrobe te pakken kreeg in de lagere secundaire adelingen en dat ik mij haarscherp de boeken die ik toen las kan herinneren… het is één van de redenen die ik opgeef als men mij vraagt waarom ik voor 12-plussers schrijf. Mijn boeken vergeten ze nooit…
Wie heeft van mij een lezer gemaakt?
Ik ben geneigd te antwoorden: ik kom uit een boekenminnend gezin, maar dat kan maar een deel van het antwoord zijn, besef ik als ik naar die andere, niet-lezende telg uit datzelfde nest kijk. Wie heeft dan, voor mij, het verschil gemaakt?
Uit mijn lagereschoolleeftijd herinner ik me geen inspirerende of stimulerende leesbevorderaars. In de middelbare school was dat anders, met een leerkracht die ons liet kennismaken met recente jeugdboeken. Dat die leerkracht ook degene was die me jaren eerder al de weg naar de bibliotheek toonde en me thuis over boeken vertelde, maakte dat het voor mij niet zo’n keerpunt was, wellicht.
Dat kwam er wel toen ik Bart Moeyaert leerde kennen, net op een moment in mijn leesleven dat ik het een beetje gehad had met de jeugdboeken die ik kende, de Beckmans en Terlouws en Hartmans. Bart vertelde enthousiast over boeken die ik absoluut moest lezen, ergens in een doos vol brieven moeten ze nog liggen, die lijstjes, bij brieven gevoegd of haastig neergekrabbeld op de boekenbeurs. Hij leerde me een heel ander soort boeken kennen. Imme Dros, Els Pelgrom, Ted van Lieshout, Aidan Chambers, maar ook Evelyn Waugh, Salman Rushdie, John Steinbeck. De kennismaking beviel. Ik las, gretig. Een van de aangeraden boeken heeft van mij een hele andere lezer gemaakt dan ik tot dan was: Je moet dansen op mijn graf. Dat boek, daar loopt de cesuur in mijn leesleven. Ervoor was ik een lezer die lezen fijn vond, een leuke hobby, erna was ik een lezer die moest lezen, die niet zonder lezen kon. Toen ik daarna Aidan Chambers ontmoette, was de cirkel rond. Zijn vuur, zijn enthousiasme, zijn oprechte belangstelling en zijn kritische vragen (hij was op dat moment voor mij de ideale leerkracht, als je ‘t zo bekijkt) zetten mij aan het denken over lezen en literatuur.
Ik ben ze dankbaar, Bart en Aidan.
En u misschien ook – want zonder hen was Vertel eens er nooit geweest, dat is wel zeker.
Zesenvijftig jaar geleden zat ik in het tweede leerjaar. De juf las elke vrijdagnamiddag voor uit een spannend boek. Ook in het zesde leerjaar (ik zat toen op internaat) heb ik ontzettend veel kunnen lezen. Ik herinner me een verhaal over een blinde jongen die zijn weg zocht in de muziek. De auteur ben ik al lang vergeten.
Thuis waren er de jeugdboeken van Davidsfonds en heel veel ‘meisjesboeken’ die mijn moeder kocht in de mooie boekenwinkel van meneer Oversteyns in Tienen. Hij kon ons enthousiast vertellen over nieuwe titels.
In het laatste jaar secundair onderwijs had ik een lerares Frans, een non, die ook aan toekomstige regentessen Frans lesgaf. Van haar kreeg ik een pak Franse boeken uit de bibliotheek van het regentaat te lezen. Ik heb ontzettend veel gelezen tijdens de ‘studie’.
Mijn moeder las zelf ook veel. Voorbeelden trekken, dat weten we. Ze is nu 85 jaar en bijna blind. Ze ‘leest’ thans luisterboeken in het Nederlands en het Frans.
Als lector aan een lerarenopleiding heb ik steeds het werken met kinderboeken gepromoot. Ik ontmoet nog vaak oud-studenten die me vertellen dat ze graag en veel boeken in hun klas brengen. Dat doet me telkens weer veel deugd.
Ik wil niet chagrijnig overkomen, maar ik vraag me af of de huidige generatie afgestudeerde kleuterleiders en onderwijzers in hun opleiding ook nog zo intens in contact komen met jeugdliteratuur?
Heeft het met het niveau van de instromers te maken , met de grote werkdruk van de lectoren of met strakkere organisatie, waardoor je niet kan inspelen op ‘onverwachte’ gebeurtenissen, zoals b.v. een auteur die een lezing geeft in het naburig cultureel centrum…?
Laatst vroeg men mij om in de Voortgezette lerarenopleiding Buitengewoon onderwijs ( nu heet dat BaNaBa B.O.) een sessie te geven over ‘ Werken met kinderboeken in wereldoriëntatie’. Het was een onderdeel van een te kiezen verdiepingspakket. Gisteren vernam ik dat niemand dit gekozen had. Voor mij een extra vrije namiddag, maar toch jammer voor de kinderen van het buitengewoon onderwijs. Meer nog dan in het gewoon basisonderwijs hebben zij nood aan leerkrachten die weten hoe ze kinderen met leesproblemen kunnen stimuleren om boeken te lezen. Ook deze kinderen hebben ‘recht op boeken’!
Ik moet bekennen dat ik echt niet meer weet wie mij nu precies met de leesmicrobe (of het virus?)heeft besmet… Boeken waren in ons gezin heel normaal en alomtegenwoordig. Ik herinner me wekelijkse tripjes naar de bibliotheek, eerst met mijn moeder die zorgvuldig boekjes uitkoos, voorlas, ze deed lezen, later soms ook met mijn vader, die me mijn gang liet gaan, en uiteindelijk ook op eigen houtje. Het begon bij Bakkertje Deeg, maakte een ommetje langs De Vijf en Merel en vond – misschien toch wel aangemoedigd in de lessen Nederlands op de middelbare school – de weg naar Duet met valse noten, Kruistocht in spijkerbroek, Vluchten kan niet meer, De trap van steen en wolken of, o wonder, De komst van Joachim Stiller. Boeken werden verslonden. Het aanbod was er in elk geval: een behoorlijke bibliotheek en twee lezende ouders thuis, de klasbib op school… maar waarom of dankzij wie ik de smaak echt te pakken kreeg, blijft onduidelijk.
Een gelijkaardig verhaal vertelt mijn man, die uit een leerkracht Nederlands en een ingenieur sproot: 5 bibliotheekboeken per week, en al heel snel het volledige kinder- en jeugdaanbod achter de kiezen. Waarna de bibliothecaris hem maar meenam naar de “volwassen” afdeling.
Of het schoolse “leesonderwijs”, de verplichte schoollectuur met bijhorende boekbesprekingen nou echt een verschil hebben uitgemaakt, durf ik te betwijfelen. Niet dat het onnodig of nutteloos zou zijn (geweest). Dat ook niet. Het was eerder een aanvulling. Misschien komt de leesgoesting gewoon mee met de moedermelk, of is het iets genetisch? Wellicht spelen een groot aanbod aan leesvoer en de “normaliteit” van lezen in een gezin en op school wel een hoofdrol…
Zelf zijn wij nu ouders van jonge kinderen. Eentje heeft het virus (of de microbe?) stevig te pakken. Een tweede vindt er (nog?) niet veel aan en houdt het voorlopig op functioneel lezen (verpakkingen, opdrachten, krantentitels) en een derde leest gretig al wat ze onder handen krijgt, al “hoort” ze daar eigenlijk pas volgend jaar mee te beginnen… In elk geval wemelt het zowat in elke kamer van ons huis van de boeken, van encyclopediën en ander wetenschappelijks tot dichtbundels en romans. En dat voelt goed zo.
Het genot van het lezen heb ik aan mezelf te danken. :-)
[...] of in een bib, en ik heb geen schoolgaande kinderen. Ik weet het alleen omdat ze het zeiden op Vertel eens , een jeugdboekenblog die ik volg. Daar wordt nu aan de bezoeker de vraag gesteld: Wie heeft jou tot [...]
Ik ben nooit besmet geraakt met de microbe. Ik las graag en lees graag, maar dat was er. Dat was er zoals de handwerkliefde die ik heb ‘meegeërfd’.
Het is op school wel gestimuleerd, maar het is er niet ontstaan.
Ik vind het als ouder soms moeilijk om de grens te trekken tussen pushen en stimuleren. Bij leesbevordering is dat nog een moeilijkere oefening kan ik me voorstellen.
Je wilt kinderen aanzetten tot lezen, ze stimuleren, maar wat met kinderen die echt niet graag lezen. Dat heeft echt niet altijd iets met opvoeding te maken. In mijn gezin werd lezen zelfs helemaal niet aangemoedigd. Ik denk dat de stimulans van de juf en bibliothecaresse wel belangrijk was, maar zij hebben de leeshonger niet gestart, enkel helpen voeden. Ik las graag en zij hielpen met de boekjes.
Ik vind de stimulans op school wel belangrijk, dat mag zeker niet verdwijnen, maar ik ben er niet van overtuigd dat je kinderen iets als ‘boekenliefde’ kan leren.
Hier liggen overal boeken van mij en de kinderen worden wel graag voorgelezen, maar het blijft altijd maar de zoveelste keuze. We blijven voorlezen, maar of dat dat ooit gaat resulteren in een ‘liefde voor boeken’? Ik weet het niet. Ik geloof niet dat ik dit kan veroorzaken.
Anita,
Als de juf van onze zoon moet kiezen tussen een verdiepingspakket over kinderboeken of over de verschillende problematieken die haar kinderen kunnen hebben, hoop ik als ouder van een kind van haar klas, dat ze het tweede kiest. Het lezen komt wel, als hij graag leest, de rest komt niet zo vanzelfsprekend.
Ik vind niet belangrijk dat hij alle literatuur leest, ik vind het wel belangrijk dat hij kan overleven in onze maatschappij, dat hij zijn sterktes en zwaktes leert kennen, dat hij leert hoe hij het beste dingen kan leren.
Boekenliefde is hier inderdaad geen prioriteit, al de rest wel.
Voor mij maakte, enkele jaren geleden, Ria Dorssemont het verschil op een vormingsdag rond leesbevordering en leesplezier.
Door haar enthousiasme ben ik besmet door het boekenvirus en de leesmicrobe die ik op mijn manier probeer door te geven aan de kinderen van de klas. En dat lukt, door veel voor te lezen ook aan kinderen die zelf al kunnen lezen. Door mee te doen met KJV en zo boeken aan te bieden waar je in de eerste plaats niet zou naar grijpen, door de kinderen nieuwsgierig te maken met een ‘geheim’ boek, door voor te lezen met de Kamishibai, door leestassen aan te bieden …door niet altijd vastgeplakt te blijven aan de ‘schoolboeken’ maar zelf een beetje creatief uit de hoek te komen met een ‘echt’ boek.
Ik kreeg in het verleden al reacties van ouders die blij waren dat hun kind nu graag leest en er in het begin niet zo gerust op waren dat het lezen ‘wel zou komen’.
Als ik mag kiezen tussen het vormingsaanbod van Christel, twijfel ik geen moment en kies ik voor het eerste. Het juiste boek voor het juiste kind op het juiste moment kan volgens mij veel meer oplossen dan een verdiepingspakket over de verschillende problematieken die een kind wel kan hebben.
Ik wil echt wel een leerkracht zijn die vele kinderen heeft laten proeven van het leesplezier. Ik blijf daar in ieder geval mijn best voor doen. Met heel veel plezier zelfs!
Ik ben het er helemaal mee eens! Kinderen hebben recht op boeken.
Een aantal jaren geleden ben ik besmet met het boekenvirus/ leesvirus toen ik een collega in Utrecht ontmoette die – zoals jij zo mooi verwoordde hierboven – “boeken uitademde”.
Op school is het virus zich inmiddels flink aan het uitbreiden :) En ik geniet ervan!