Lekker lezen?
Een tijdje geleden stond op Vertel eens een bespreking van het boek Gek van een eiland van Koen D’Haene. De lovende woorden van Jet en de cover die er erg mooi uitziet deden hun werk: ik was nieuwsgierig gemaakt en het boek verhuisde in één klap naar de bovenste regionen van mijn ‘nog te lezen’-stapel, vergezeld van een pak verwachtingen.
Verwachtingen zijn altijd gevaarlijk: een boek kan dan wel eens tegenvallen. En ditmaal viel het tegen. Toen ik dat in een reactie meldde, stelde Jet de zeer terechte en pertinente vraag: ‘Mogen we ook niet supporteren voor de betere boeken uit series als Lekker lezen?’ Ik dacht: ‘Maar natuurlijk! Gráág zelfs!’ En ik dacht aan wat Jen de Groeve, hoofdredacteur van De Leeswelp, zei in een recent interview: ‘Het is uiteindelijk de bedoeling dat kinderen veel lezen. Omdat ze daarin een leerproces moeten doormaken, moet het aanbod groot en zo gevarieerd mogelijk zijn. Ik zou bijna zeggen: laat ze maar lezen wat ze in handen krijgen. Dat gewoon prettig lezende avonturenverhaal waar er zoveel van verschijnen, en waar jonge lezers volledig in kunnen opgaan, is in dat opzicht heel erg meegenomen. Dat wakkert de honger aan. Voorwaarde is natuurlijk wel dat het een goed, vakkundig gemaakt verhaal is. En daar wringt vaak het schoentje. De top van de literaire boeken is erg smal, maar het aanbod van goedgemaakte leesboeken is ook niet zo groot.’
Gek van een eiland is een toegankelijk leesboek, verschenen in de reeks ‘Lekker lezen’ van uitgeverij De Eenhoorn, maar goed gemaakt is het niet. Omdat dat natuurlijk een tamelijk boude bewering is, wil ik ook graag uitleggen waarom ik dat vind.
Het boek vertelt het verhaal van een de zestienjarige Wout, die samen met zijn moeder een week doorbrengt op het eiland Terschelling. Moeder en zoon zijn erg close sinds Wouts vader er onverwacht vandoor is gegaan. Met de aankondiging van dat feit gaat het al meteen mis. De vader stuurt vrouw en kind een mailtje:
‘Laura en ik leerden elkaar in september kennen in een chatroom. Ze werd mijn chatvriendin en nu wordt ze mijn levensgezellin. Ze is professor aan de universiteit van Rio de Janeiro. Ik ga bij haar wonen. Het is er altijd mooi weer. Ik laat alles aan jullie, ik nam alleen een tandenborstel mee. Ik zit op het vliegtuig als jullie dit bericht lezen. Zorg goed voor elkaar. Vergeet mij. Sorry.’
Kan het karikaturaler en ongeloofwaardiger? Wat volgt, moet het relaas zijn van de psychologische groei van de zestienjarige, die op het eiland verliefd wordt op een leeftijdsgenote en zo wat loskomt van zijn moeder. De vakantie, die hen, in de ogen van de moeder, nader tot elkaar moest brengen, zorgt zo net voor afstand. Dat verhaal verweeft D’Haene met een ander moeder-zoonverhaal: dat van Martje, hun gastvrouw en de (pleeg)moeder van Johanna, die jaren geleden op tragische wijze haar zoon verloren blijkt te hebben. Een op zich boeiend, aangrijpend verhaal. Waarom de auteur Martje echter opvoert als een karikatuur van een feeks, is me een raadsel – ook zonder die overdrijving zou de lezer wel hebben kunnen voelen dat achter haar stuursheid een groot verdriet schuilging. D’Haene wil wel vaker veel benoemen en duiden. Té veel. De elementen die deel uitmaken van Wouts psychologische groeiproces verwerkt hij bijvoorbeeld regelmatig expliciet in de dialogen tussen de personages, zoals in de volgende (tussen Wout en Johanna, die elkaar net hebben leren kennen en verliefd op elkaar zijn):
‘Jij en je moeder schieten goed met elkaar op, hé.’
(…)
‘Ja. Zij is ook een vriendin voor mij… Kun je dat merken?’
‘Zeker… Hoe hartelijk jullie met elkaar omgaan! Met veel respect en vriendschap. Nooit gezien…’
Wout vindt het tof dat ze het zo vlug in de gaten kreeg. Hij schaamt zich niet om zijn fijne relatie met mams. Hij is graag in haar gezelschap en dat mag iedereen weten. Alleen mogen ze er niet om lachen…
‘Ik heb altijd geweten dat ik een heel leuke moeder heb. Sinds het vertrek van pa is onze relatie nog hechter geworden.’
In plaats van de lezer te laten voelen wat er leeft bij de personages, heeft de auteur de neiging alles te expliciteren en met - nogal eens te – grote woorden te benoemen. Neem Wouts verliefdheid. Luttele seconden nadat Wout Johanna voor de allereerste keer ziet, staat te lezen: ‘Nooit eerder heeft een meisje hem zo betoverd.’ Goed, coup de foudres bestáán. Een dag of twee later: ‘Wout walgt bij de gedachte. Ze staat in schril contrast met de gevoelens die Johanna bij hem opwekt. Haar schoonheid en de zachtheid waarmee ze hem van de modder verlost, staan ver boven alle aardse viezigheid.’ Weer wat later praten ze met elkaar over Wouts gemis van zijn vader:
‘Eigenlijk is het wel gek,’ zegt Johanna met gesmoorde lach. ‘Wij twee, Wout… Net zoals in de sprookjes: alleen nog moeders, geen vaders…’
Haar grapje werkt bevrijdend. Het mag best wat gezelliger worden.
‘Dan ben jij toch weer de prinses, hoor,’ lacht hij voorzichtig. Mijn prinses, denkt hij stilletjes. Hoe graag zou hij dat tegen haar zeggen.
‘En Martje is de boze heks!’ zegt Johanna resoluut.
Hij grinnikt.
‘Dan zal mams wel de lieve koningin zijn…’ vindt hij.
‘En jij de mooie prins…’
En het gaat verder, over het cliché van de ‘zalige pijn van verliefdheid’, tot het moment dat het prille liefdesgeluk bruusk wordt verstoord doordat Wouts moeder de vakantie vroegtijdig afbreekt. Wout vraagt zich af: ‘Waarom gunde mams hem niet nog een dag met zijn eerste grote liefde?’ Ik betwijfel of het dat is wat een verliefde tiener op zo’n moment denkt.
Het resultaat zijn personages die authenticiteit en geloofwaardigheid missen, en mij alvast meer ergernis dan leesplezier bezorgden. De reeks ‘Lekker lezen’ waarin dit boek verscheen staat volgens de uitgeverij voor ‘snel, echt en (ont)spannend’. Gek van een eiland kon die belofte alvast niet waarmaken. En dat is jammer want ook minder vlotte lezers, minder leesgrage jongeren hebben recht op boeiende, geloofwaardige, mooi geschreven verhalen.








Ik ben blij dat heel wat mensen al genoten hebben van dit boek.
Maar ik dus ook niet, Karin.
De geloofwaardigheid is er niet.
Ik heb vooral problemen met de losse eindjes. Er wordt heel wat gelanceerd maar niet uitgewerkt. Hoe de relatie tussen het meisje en de moeder zo verziekt is geraakt, bijvoorbeeld. De moeder van Wout vind ik wel mooi neergezet. Het feeksgehalte van Martje ergert me, net als het verloren zoon-verhaal. Het ziekelijk achtervolgen van Wout heeft iets spooky, terwijl de auteur tegelijk zijn best doet om Martje als gewone, verdrietige vrouw te tonen.
De cover vond en vind ik heel mooi, maar het boek laat me met een kleine kater achter.
De lekker lezen reeks heeft naar mijn gevoel zeker ook voltreffers. Van de Pompoenmoorden van Inge Misschaert heb ik wel degelijk genoten. Maar waar, oh waar is de tijd om er een verslag over te schrijven!