Eksternacht
Zopas heb ik voor de derde keer Eksternacht gelezen. Neen, twee keer gelezen, drie keer bekeken. En de derde keer zal niet de laatste keer zijn. Het boek oogt als heel luxueus schrift, of beter, een dagboek: een donkere, bebloemde hardcover met goudomrande titel en auteurs: verteller Mieke Versyp, illustratoren Sabien Clement en Pieter Gaudesaboos. De laatste is ook de vormgever.
Sla je het open, laat je de glanzende pagina’s door je vingers glijden, dan zie je niet in de eerste plaats de tekstbladzijden (met bloemetjesrand), maar illustraties en foto’s. Een overvloed om je nieuwsgierigheid te prikkelen.
En dan ga je kijken, en nog eens kijken. Je wandelt weer door het Huis van Alijn, je herkent ( of de ouderen onder ons in ieder geval) interieurs, bierviltjes, motieven en prints uit een ver verleden tijd. De details zijn heel precies uitgekozen en op de goeie manier voorgesteld: het bierviltje op de print van een bruin formica tafelblad (denk ik), twee sepiakleurige, wervende foto’s van Echternach met rechts boven 2 kleurrijke lente- hyacinten in een kadertje; een ander klein kadertje met 2 mannentorso’s in wit hemd, de broek opgehouden met bretellen en in de handen een pint; een interieur van een café, wazig overdrukt door een strofe uit de Internationale; de vorm van een bierflesje met de tekst van Hemelhuis van René De Clercq.
Er kriebelt op dat ogenblik al een onbehaaglijk gevoel ( dit loopt niet goed af!) en dat wordt nog versterkt door de illustraties. Pareltjes, soms zuiver inspelend op de nostalgie van het geluk, meestal zo sprekend en suggestief dat een triest gevoel van verlatenheid opkomt. Een aantal schitterende suggestieve prenten van een (gedroomde) eerste liefdesnacht, maar even verder een panty (misschien moesten dat kousen geweest zijn) , netjes over een witte stoel gehangen, in de voor de rest duistere kamer, of een dansend koppel tegen een achtergrond van flessen…
En dan ga je lezen. Dat gaat eerst moeizaam, het lettertype is zo klein dat je ogen bijna pijn doen. Achteraf besef je dat een groter lettertype de intimiteit van de drie verhalen zou breken. De tekst is allesbehalve nostalgie. Dit is geen vrolijk boek over gelukkige mensen. In drie verhalen vertelt Mieke Versyp: Eksternacht over de romantische kennismaking tussen haar ouders en hun huwelijksreis naar Echternach, Het Slachthuis over het zeer ongelukkige huwelijk van haar grootouders, en De duivel en ik over het kleine meisje (Mieke) dat vreest dat haar ouders zullen scheiden en een pact met de duivel sluit. In de drie verhalen spelen de eksters hun rol: In het eerste verhaal:
’Echternach, die naam zat vol beloften en romantiek en poëzie, vond mijn moeder. Echternacht, Echte nachten, Eksternacht, Echtelijk nacht enzovoort.’ Poëzie die de moeder de eerste nacht zo vreselijk eenzaam maakt:
’ ..ik maak hem wakker en zeg hem dat ik terugkom op mijn huwelijksbeloften. Dat ik de kwade dagen er echt niet bij kan nemen.’…
Dit eerste verhaal eindigt uiteindelijk nog positief, maar wanneer de ekster ( een vervloekte ongeluksvogel) in Het slachthuis verschijnt, dan weet de vrouw (de grootmoeder) dat haar huwelijk verloren is. Zij, ‘een vrouw met een missie’, voor wie de liefde heilig was, was ‘aangeraakt door het noodlot’ en verloor de strijd voor haar man tegen de drank.
Het derde verhaal, De duivel en ik is zo mogelijk nog triester, omdat het hier gaat over een weerloos kind- die de liefde niet zelf kan sturen. Zij probeert het wel, op alle mogelijke manieren daagt zij de duivel (en haar broer, zus en moeder) uit, maar de enige uitweg is een pact te sluiten: Als hij haar vader terug brengt, mag de duivel haar allerdierbaarste bezit nemen. Na haar belofte oefent ze zichzelf in het afstand nemen, om zo weinig mogelijk dierbaars voor de duivel over te laten. Het is schrijnend, maar ze haalt het niet. Vader komt terug en de prijs voor het kind is hoog.
Dit zijn vreselijke verhalen, intieme verhalen waarbij je je vaak een voyeur voelt, maar ze zijn bijzonder goed geschreven. Er staat geen letter te veel, in een paar woorden worden suggestieve verbanden gelegd, met enkele gebaren worden mensen getypeerd en wordt een stuk sociale geschiedenis blootgelegd.
Zoals de pastoor in het tweede verhaal:
“Terwijl hij sprak , wreef hij zijn handen onafgebroken over elkaar.”(…) En even verder, na een zalvende uitleg: “Rasp rasp gingen de handen”
Of het dienstmeisje (de grootmoeder), die blij is dat ze kan trouwen:
“Mijn grootmoeder, dolgelukkig omdat ze niet langer de katoenen menstruatiedoeken van haar madame schoon hoefde te wassen…”
Ik kan blijven citeren.
Het schitterend uitgegeven boek is aangekondigd voor lezers vanaf 15. Dat is vroeg. Ik geef dat boek door aan rijpe adolescenten en aan mijn volwassen vriendinnen (vrienden). Het is tenslotte ook een boek over sterke vrouwen. Maar de lezers moeten oud en rijp genoeg zijn om de verhalen in hun tijdsgeest te kunnen plaatsen en zij moeten vooral al in staat zijn om het leven zelf te relativeren. Het zou jonge adolescenten wel eens kunnen afschrikken in hun grootse verwachtingen.
In boekenvriendschap, Jet
.




Helemaal mee eens Jet. Een absoluut schitterend boek!
Eentje om heel erg traag en vaak te lezen.